Hulpmeststoffen
Gebruik van hulpmeststoffen is voor veel telers in de biologische landbouw van belang. Hulpmeststoffen zorgen voor een snelle stikstofaanvulling in het voorjaar en waarborgen daarmee een goede groei en productkwaliteit. Het gebruik van hulpmeststoffen op zich, en specifiek de toepassing van verenmeel en vinasse, staat al enige tijd ter discussie.
In het project hulpmeststoffen van het LBI, met financiering van HPA, worden alternatieve hulpmeststoffen beoordeeld op werkzaamheid, prijs, praktische toepasbaarheid en aansluiting bij een biologische manier van denken. Het experiment is uitgevoerd in tarwe, en de volgende 12 hulpmeststoffen zijn hierbij toegepast: vinasse, protamylasse, verenmeel, digestaat uit co-vergisting van energiemaïs, kuilgras en rundveemest, maïsdigestaat, luzerneschroot, ricinusschroot, koolzaadschroot, monterra malt, condit, en twee soorten biologische kippenmest. In 2007 wordt vooral naar het verschil in werkingssnelheid gekeken, in 2008 naar fine-tuning van de meest veelbelovende
hulpmeststoffen. De vraag naar het biologische karakter en de kwaliteit van hulpmeststoffen riep bij de telers veel discussie op. Biologische kippenmest werd als de meest biologische optie gezien, maar een groot nadeel blijft de ongunstige N:P verhouding. De meningen verschillen of afvalproducten uit de gangbare landbouw (vinasse, protamylasse) nu wel of niet wenselijk zijn. Wat wel gewaardeerd wordt is de goede werking van vinasse, de makkelijke toepasbaarheid en de goede sturingsmogelijkheden. Een product als luzerneschroot werd alleen als zinvol ervaren als het in de eigen vruchtwisseling ingebouwd kan worden, maar niet als het puur en alleen als meststof verbouwd wordt. Daarnaast speelt natuurlijk ook de hoge prijs een belangrijke rol in de meststofkeuze. Eenzelfde redenering klonk wat betreft de digestaten: het werd niet als ecologisch gezien om energiemais te verbouwen, om er vervolgens energie en mest uit te winnen. Daarnaast kost het ook veel energie om het digestaat met relatief laag stikstofgehalte op de goede plek te krijgen. Het laatste woord erover is beslist nog niet gezegd, kippenmesten worden als meest biologisch ervaren, maar er moet nog een slag gemaakt worden om een gungstiger N:P verhouding te krijgen.
Bron: Louis bolk instituut