Compactatie door zware machines kan tot 1 m diep gaan en meer. De meeste bodemcompactatie beperkt zich echter tot ongeveer de bovenste 30 cm, waar ook de meeste wortels zitten. De graad van verdichting hangt af van de textuur, het vochtgehalte en de bodemdruk van machines.
Het vochtgehalte heeft een aanzienlijke invloed op de vatbaarheid voor compactatie van een bodem. Vochtige klei- en leembodems worden snel gecompacteerd, terwijl droge bodems met een grove textuur minder snel worden gecompacteerd. Gezien de invloed van het bodemvochtgehalte op de bodemsterkte, varieert de bodemsterkte ook grotendeels met de seizoenen. Onder gemiddelde klimaatcondities zal de sterkte van bodems met fijne en middelmatige textuur het laagst zijn in de late lente en de vroege zomer. Bodemsterkte neemt vervolgens toe gedurende de zomer als de bodem uitdroogt, en neemt tenslotte weer af in de herfst. Bevroren bodems zijn extreem bestendig tegen partikelbeweging. Een sneeuwbedekking kan de onderliggende bodem beschermen tegen compacterende krachten, maar kan door isolatie ook verhinderen dat de bodem bevriest. In de Vlaamse bossen vriest het echter niet lang en hard genoeg om een voldoende dikke bevroren bodemlaag te verzekeren: enkele dagen vorst doet de bodem van een bospad weliswaar bevriezen, maar heeft nog geen invloed op de bosbodem onder een isolerende strooisellaag.
Meer info? http://ecopedia.be/